Ruimtelijke Strategieën voor een zelfbewust beroepsonderwijs

Het beroeponderwijs is essentieel voor de Nederlandse samenleving, zo heeft de crisis in de periode 2008-2016 geleerd. Je zou verwachten dat het beroepsondewijs dan ook aanzien heeft. Dit is helaas niet zo. Het wordt nog steeds als minder beschouwd dan het wetenschappelijke onderwijs. Er wordt veel onderzoek gedaan naar verbetering van het onderwijs, maar de ruimtelijke mogelijkheden om bij te dragen aan een beter onderwijsklimaat, met zelfbewustere deelnemers, komt niet aan de orde. Dit onderzoek focust zich op de ruimtelijke potenties voor een zelfbewuster beroepsonderwijs.

In deel 1 worden zes ruimtelijke strategieën beschreven die het zelfbewustzijn in het beroepsonderwijs versterken.

De inzet van het onderzoek

Het onderzoek heeft een tweeledig doel. Allereerst beschrijven wij de ruimtelijke strategieën  die het zelfbewustzijn van leerlingen, docenten, directies en daarmee ook het zelfbewustzijn van de scholen voeden.
Ten tweede tonen wij aan dat een goede ruimtelijke analyse altijd onderdeel dient te zijn bij beleidsonderzoek. Ruimtelijke aspecten zijn te belangrijk om bij het initiërende beleid te passeren en over te laten aan de uitwerkingsfase. Ruimtelijke thema’s kunnen oplossingen genereren die op geen enkele andere wijze opgelost kunnen worden. Ruimtelijk onderzoek moet daarom een vanzelfsprekend onderdeel vormen van beleidsnota’s en beleidsadviezen over het onderwijs.

‘Een mooi gebouw, met fraai licht, goede materialen, professionele faciliteiten en verzorgde details toont de leerlingen dat ze serieus genomen worden en de moeite waard zijn, en dit vertrouwen zullen ze terugbetalen in hun prestaties.’

Bill Strickland, actief pleitbezorger voor goed vakonderwijs in Amerika, over de waarde van inspirerende gebouwen.
in: Making the impossible possible.

Zes strategieën voor een zelfbewust onderwijs

Wij hebben dertig scholen geanalyseerd en onderzocht op de ruimtelijke invloed op het onderwijs. Uit deze analyse hebben wij zes strategieën gedefinieerd die elk op een eigen wijze een voorbeeld zijn hoe een ruimtelijke visie een positief effect heeft op het onderwijs en daarmee op het zelfbewustzijn van de studenten en docenten.In het onderzoek zijn zes strategieën geanalyseerd en uitgewerkt. Hieronder volgt een korte kenschets van elke strategie met een kenmerkend voorbeeld.

Strategie 1: Ambachtelijke trots
Vakmanschap is een belangrijke drijfveer voor trots en het is dan ook niet verwonderlijk dat veel vakscholen van oudsher inzetten op ambachtelijke trots. Bij sommige vakscholen zit deze trots in alle haarvaten van het schoolsysteem. Van de ontvangst tot aan de kleding, van de inrichting tot aan de communicatie.
Voorbeelden zijn veel horecascholen, maar ook het oude Goud- en zilvercollege (tegenwoordig Vakschool Schoonhoven geheten) en het SOMA College voor infrastructuur in Harderwijk. Veel ROC’s nemen deze strategie over door de groot-schalige school op te delen in kleinere academies.

SOMA College voor infrastructuur, Harderwijk

Strategie 2: Het Innovatieve cluster
In deze strategie vestigen gelijkgestemde organisaties uit zowel onderwijs, bedrijfsleven als kennisinstituten zich op één terrein om gebruik te maken van elkaars expertise en om gezamenlijk een sterk innovatief centrum te realiseren. Als cluster is het makkelijker zich te profileren als dé hotspot op het vakgebied en alle aandacht, kennis en financiering naar zich toe te trekken. Vaak heeft het cluster de ambitie deze innovatieve trots uit te stralen.
Voorbeelden zijn de RDM campus in Rotterdam, en de Automotive Campus in Helmond.

Automotive Campus, Helmond

Strategie 3: Architectonische hoogwaardigheid
Hoogwaardige architectuur is een beproefd middel om aanzien en zelfvertrouwen te creëren. Een goed architectonisch gebouw ondersteunt het onderwijs, zorgt voor prettige werk- en ontmoetingsplekken en geeft de studenten het gevoel dat er belang wordt gesteld aan wat je doet. Hoogwaardige architectuur moet echter niet doorslaan in bombast en machtsvertoon. Dan schiet de strategie door en komt uiterlijke schijn voor betekenis.
Het ROC De Friese Poort in Drachten en het Sterrencollege in Haarlem hanteren deze strategie.

ROC De Friese Poort, Drachten

Strategie 4: De Simulator
Studenten in het beroepsonderwijs zijn in de regel liever praktisch bezig dan cognitief. Een traditioneel schoolgebouw met veel klaslokalen past dan niet goed bij het beroepsonderwijs. Bij de strategie de Simulator wordt het idee van een school verlaten. De omgeving ziet er uit als een bedrijf met professionele apparatuur en gelijke voorschriften zoals kleding en veiligheid ingebed in een onderwijsomgeving. Het onderwijs is hier geen aaneenschakeling van instructies. De studenten krijgen opdrachten die ze gezamenlijk als een bedrijf moeten uitvoeren. Samenwerking is essentieel in gemengde teams met verschillende vaardigheden. Van marketing tot aan productie, van organisatie tot aan financiën. Voor een goed functioneren van de fabriek is het essentieel om studenten van verschillende onderwijsniveau, van mbo tot aan universitair, te laten samenwerken.
De Waterfabriek in Den Bosch (Willem 1 College) is een goed voorbeeld van deze strategie.

De Waterfabriek, Den Bosch

Strategie 5: Maatschappelijke interactie
De strategie van de Maatschappelijke interactie beschouwt het beroepsonderwijs als onlosmakelijk deel van de samenleving. Volgens de opvattingen van deze strategie is het vreemd dat studenten van beroepsonderwijs eerst vier tot acht jaar in een geïsoleerde onderwijsomgeving les krijgen en daarna pas hun vaardigheden in de maatschappij mogen toepassen. Veel studenten uit het beroepsonderwijs krijgen na hun opleiding een actieve rol in de samenleving en hebben direct contact met burgers. Het is daarom veel logischer en leerzamer om direct al met deze interactie te beginnen.
Voorbeeld van deze strategie is het Leerpark in Dordrecht.

Het Leerpark, Dordrecht

Strategie 6: Onderwijs zonder gebouw
De laatste strategie wijkt het meest af van de klassieke negentiende eeuwse schoolmodel met haar traditionele opstelling van gangen en lokalen. ‘De stad is ons schoolgebouw’ is het credo bij deze strategie. De stad functioneert hier als onderwijsruimte en er wordt steeds gezocht naar de best passende omgeving voor een les. Soms is er nog wel een centrale ontmoetingsplek aanwezigheid van een plek die de leerlingen als hun thuisbasis voelen. Hier kunnen ze hun ervaringen uitwisselen.
Voorbeelden zijn Vakwerf Rotterdam en de Odyssey Leadership Academy (OLA) in Oklahoma.

Vakwerf, Rotterdam

Onderzoeksteam

Frido van Nieuwamerongen – Arconiko
Matthieu Maas – Arconiko
Roswitha Abraham – Arconiko
Dmitri Levin – Arconiko
Peter van Loon – Scholen van Morgen